Die Derwaert Gaen En Keeren Niet
Boven zwarte wateren zweven Spookgedaanten in de dichte, Door sterren en maan verlichte nevel, Met gezichten grauw als as; De geesten der vermaledijden Eens verdwaald in het moeras, Verrotting en verval ontnomen, Een vervloeking van veenlijken.
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
Hoet u, reysigher, soo ghi gaet gheswint By nacht en onty, weer en wint Voor den ridder met het ghulden swaert. Klinckt syn nootkreet in den verte, Neemt dan deesen raet ter herte: Best vervolght gh' uw wegh naer huys en haert! Met syn bende kwam hi lang gheleeden Naer het Braebantsch land ghereeden, Roovent ende plund'rent in den nacht, Maer de boeren van den Peel Hebben die met rieck en steel, Schop en vleegel bloedich omgebracht. De ridder en syn schildknaep, die ontkwaemen Vluchtent in het veen tesaemen. Nooit syn si ten ooverkant geraekt, Doch in 't Dolle Moer verdroncken Waer nog immer, diep verzoncken, 't Goud blinckt dat door hen werd buytgemaekt. Tot men vint des ridders ghulden swaert Sal hi doolen hier op aerd. Versticken zult ge, doet valt u ten deel, Door meely immer verder heen Gedreeven in het drassich veen, Als ghi hem soeckt, de ridder van den Peel [written by Heer Halewyn]
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
Reeds lang verdwenen zijn De aardmannetjes Die vroeger de Peel bewoonden. 't Was de dood van Hun koning Kyrie Die hen deed besluiten De Peel voor immer te verlaten. "Kyrie is dood, zegt het voort: Heimelijke moord! Kyrie, gedood door 's jagers hand Op ons heideland! Kyrie is dood; wreken zullen wij Die laaghartigheid! Kyrie, gedood door 's jagers hand Op ons heideland!" Hun vertrek was hun wraak Op dees jagers daad, Nimmer zullen zij nog doen Arbeid voor mensen. "Saluut hulpvaardigheid, gezweet En gezwoeg... Hiervan Hadden wij toch allang genoeg!" 't Eens zo nijvere volkje Is thans liever lui dan moe En heeft de wijze les geleerd Geen mens ooit te vertrouwen.
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
In het holst van de nacht, Als de duisternis op het diepst is En het braaf christenvolk Reeds lang te rusten gegaan, Dan komt het nachtgebroed tot leven. Op woeste wijde heide In de ban van grote hete vuren Doet het al wat god verboden heeft, Om vervolgens te verdwijnen Tot de volgende nacht valt. Niemand weet vanwaar zij komen Noch waarheen zij dan weer gaan, Deze doodsbleke schepsels van de nacht Bezeten door een duivelse macht. Niemand weet vanwaar zij komen Noch waarheen zij dan weer gaan, Doch komen blijven zullen zij zeker Nimmer ophouden te bestaan.
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
't Peellant is een vreemt stuk lants, Donker ende vael van aansicht. Een troosteloose sfeer daer hangt; Grimmich, droef, mistroostich. Doch myn dierbaer droomlant van weleer, Is thans welhaest verdweenen... Eens was dootsch en drassich moer aldaer, Noch begaenbaer, noch bewoonbaer. Dicke laeghen verraderlyc veen Stonden hier garant voor eeuwiche rust. Maer helaes, siet aen: Ontwaatering ende ontveening Hebben seer aansienlyc kwaet ghedaen. Van 't Peelmoer soo sompich, stille ende ghevreest, Is thans haest niets meer over. Eens was ooc woeste wijde heide aldaer. Deese kaale, dorre ende eentooniche vlacte, Waerop slechts hier ende daer een bleecke boom, Stuche struyc of verlaaten ven, Weckte onghewilt een droevich ghevoel op, En wert dus maer ontghonnen. 't Oorspronck'lyc Peellant, my soo dierbaer, Is voor immer teloorghegaen...
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
In een rotshol duister en kil Slijt een kluizenaar zijn dagen Eenzaam, stil... Verzwolgen door vergetelheid Geen mens die 'm daar ooit moeit Lang gelee voor zulks gekozen Doch berouw nog geen moment. Angst en afkeer van de mensen Hun gezwets, geroddel en gejaag Reeds als kind wist hij het zeker: "Hier doe ik niet lang aan mee!" Verzwolgen door vergetelheid Geen mens die 'm daar ooit moeit Lang gelee voor zulks gekozen Doch berouw nog geen moment. Eerbied voor de kluizenaar... Afzondering was de juiste kuur Voor een al te droef en zuur leven Fier verdraagt hij nu zijn pijn De pijn van hier op aard' te zijn. EERBIED!!!!!!
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
De eenzame sterveling Dwalend door de Peel Gelokt door een kinderlijk gejank... Een doodskreet klinkt Als de sterveling is gegrepen Een doodse stilte volgt... Als hij wordt ontdaan van zijn bloed! Roerloos ligt het ven Als was daar niets gebeurd... Doch ergens in dit donker diep Staren groene ogen Wachtend op wat komen gaat... Groene ogen staren Vanuit het ven zo zwart Zwart als de nacht... Kindergeschrei deint Over de drassige vlakten Galmend over beek en ven... Verlokt is verloren!
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
Zijn gezicht Harig en verwrongen, Op een nek Scheef en puisterig. Zijn poten D'ene kort, d'andere Langer, soms slepend, Soms in woeste buiteling Rollend en tollend Over de heide gierend. Gelijk een rottende zwam Bedekt een enorme bochel Zijn kromme rug. Gedachten Van haat en van wraak Koesterend Als zijn geboorteplag. Bochbroch: de Vunzige, de Voze, de Narrige, de Zomper.
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
De boomen zwijgen deeze nacht, Toch steeckt er door een duyst're kracht Een wind op, niemand weet van waer En voert met sich een stem, hoort naer: "Komt mackers, laet ons strijden gaen, De christenzielen neederslaen. Gehoefd ende gehoornd het ros, Te vuur, te zwaerd, de toorn breeckt los!" Den grond gekliefd, ziet: met een zucht Van hellevuur en zwaevellucht Verschijnt het leeger van de nacht, Demoonen van de wilde jacht. "Tezaemen trekken wij ten strijde, Bende van de Bockereyders, Met hellebaerd en goedendag. Dat al die god eert bloeden mag!" Door tooverij en duyvelswerck Verheft de horde zich in 't zwerck, De hoeven ranselen den wind. Wee uw gebeente, menschenkind!
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026
Een aslaag bedekt De verschroeide vlakte, Waar men ook kijkt D'enige kleur is zwart. Weer koud voelt de aarde Na een verhitte strijd Met het vuur en de wind, 'n Spel der elementen Grimmig en imposant. Er is niets dat hier nog leeft Op deze plek des onheils Waar de Dood zo hard sloeg Dat zelfs de gieren zwijgen...
Submitted by Nargaroth — Jun 19, 2026